Infiltratie

Goede kierdichtheid zorgt ervoor dat een woning goed luchtdicht wordt gebouwd. Een woning met een hoge infiltratie kan tot comfort- en gezondheidsklachten en een hogere energierekening leiden. Alle woningen worden met een Blowerdoor-meting volgens NEN 2686 doorgemeten.
Wanneer een woning is voorzien van gebalanceerde ventilatie, is de mate van infiltratie tevens van invloed op de werking van de warmteterugwinunit van het ventilatiesysteem. Opdat voor een goede werking van het gebalanceerde ventilatiesysteem de infiltratie niet hoger mag zijn dan 0,6 dm3/sm2, is de gerealiseerde infiltratie extra van belang.
De infiltratie (qv, 10, kar) van een woning mag niet meer dan 5% afwijken ten opzichte van de EPC-berekening. Wanneer dit wel het geval is, past het programma de EPC-berekening automatisch aan.

Instructie

Controleren van atmosferische condities
Stel de atmosferische conditie vast door de volgende variabelen vast te stellen: temperatuur in de woning (°C), temperatuur buiten de woning (°C), de windsnelheid (Beaufort of m/s), windrichting en weertype (droog/regen). Controleer vervolgens of de atmosferische condities voldoen aan de volgende minimale condities.
a. Het drukverschil mag over geen van de gevels met gesloten buitendeuren, ramen en andere openingen voor aanvang groter zijn dan 5 Pa.
b. Maximaal product van het temperatuurverschil over de constructie in K, vermenigvuldigd met de hoogte van het gebouw is lager dan 500 MK.
c. Maximale windsnelheid extern bedraagt 6 m/s (maximaal 3 bfrt).

 

Uitvoeren meting
Voordat wordt gestart met de meting dienen de ventilatieventielen roosters, ramen et cetera te worden gesloten en ventilatieventielen worden geseald. Primair doel van de meting is het kwantificeren van de omvang van de lekkage in dm3/m2 vloeroppervlak (equivalente luchtlekkage per m2). Dit wordt gedaan door met een blowerdoor de volumestroom te meten door een drukverschil te creëren over de buitenste schil van de woning (ook wel thermische schil) genoemd. Er wordt, door te meten op minimaal vijf stappen (drukverschillen), een grafische lijn in het softwareprogramma weergegeven, waarna op 10 Pa de flow kan worden uitgelezen. De woning wordt zowel met een onderdruk als met een overdruk getest om het effect van kierdichting van ramen en deuren mee te nemen. De gemiddelde waarde wordt opgenomen in het instrument.

 

 

 

 

 

 

 Figuur Opzet van de Blowerdoor-meting

Leg na de uitvoering van de meting de volgende gegevens vast.
De waarde van het kleinst gemeten drukverschil over een van de gevels, gemeten voor en na de proef, in Pa.

a. Binnentemperatuur.
b. De waarden van de volumestromen bij de corresponderende drukverschillen in tabelvorm.
c. De luchtdoorlatendheidcoëfficiënt volgens de druk-/volumestroom karakteristiek en de berekende stromingsexponent.

Het programma neemt voor het gebruiksoppervlak de waarde over uit de EPC-berekening. Wanneer een plattegrondtekening aanwezig is, toets dan of het gebruiksoppervlak overeenkomt.
Het programma berekent  de qv; 10; kar/m2 door het gemeten debiet (dm³/s) te delen door het gebruiksoppervlak.

  1. Bepaal de atmosferische condities, het weerbeeld en de maximale hoogte van de woning.
 2. Bepaal of de condities goed genoeg zijn om een meting uit te voeren.
 3. Wanneer de condities goed genoeg zijn, tref dan de benodigde voorbereidende maatregelen voor de Blowerdoor-meting.
 4. Voer de Blowerdoor-meting uit.
 5. Voer de waarden voor de flow en drukkverschil over de gevel in in het programma.
 6. Controleer de gebruiksoppervlakte(n) en pas deze wanneer nodig aan.
 7. Activeer de knop 'Vernieuwen'.
 8. Wanneer een afwijking geconstateerd wordt, maak dan een foto van de afwijking.
 9. Voeg, wanneer zinvol, een opmerking toe.
10. Controleer de invoer door voor dit onderdeel de betreffende regel in de resultaten te controleren en bij goedkeuring het vakje voor de regel aan te vinken.